Charlotte (24): ‘Twee jaar lang werd ik gedreven door toxische positiviteit en de angst voor de dood’
Als 22-jarige de diagnose lymfeklierkanker krijgen: het zette het leven van hoofdredacteur Charlotte compleet op zijn kop. Inmiddels is ze 24, kankervrij en kijkt ze terug op de tijd waarin de oncologie-afdeling haar vaste hotspot was. Gewapend met optimisme en de nodige zelfspot deelde ze haar verhaal. In deze (voorlopig) laatste column over dit onderwerp, sluit ze dit hoofdstuk af en vertelt ze over de ingewikkeldste stap van allemaal: de overgang van puur overleven naar weer écht leven.
Elke dag is een feestje
Elke dag leven alsof het een feestje is, is zwaar. Elke dag dankbaar zijn dat je nog leeft, is bijna onmogelijk. Toch legde ik mezelf die regels onbewust op toen ik te horen kreeg dat ik in volledige remissie was van Hodgkin-lymfeklierkanker.
Als je zo jong de dood op je hielen voelt, verandert er iets. Juist in de periode waarin je hoort te piekeren over stomme keuzes, leert van je fouten en af en toe een complete dag moet wegslapen na een veel te wilde nacht uit, besefte ik ineens: het kan zomaar ineens afgelopen zijn. Dus zei ik op álles ja. Er brak een tijd aan waarin ik m’n eigen grenzen meedogenloos voorbijrende, gedreven door het motto ‘slapen doen we wel als we dood zijn’ en gevaarlijk veel van mijn eigen toxische positiviteit. Want erkennen dat kanker gewoon ontzettend traumatiserend is? Dat schoof ik voor het gemak even aan de kant. Pas nu, precies twee jaar na dat verlossende ‘groen licht’-gesprek met de oncoloog, daalt het besef in en begint de verwerking pas echt.
Tweede cancerversary
Afgelopen weekend verrasten mijn vriendinnen mij met een speciaal ‘f*ck cancer, je bent twee jaar in remissie’-feestje (paste niet helemaal op de taart). En hoewel twee jaar voelt als een hele tijd, is het soms ook alsof ik pas gisteren met een kaal koppie aan de infuuspaal zat. Ik wilde destijds maar één ding: zo snel mogelijk weer ‘terug naar normaal’. En dat deed ik door nóg extremer te leven dan voorheen, want rustiger aandoen stond simpelweg niet in mijn woordenboek.
Pas sinds kort besef ik dat dit schuimen door het leven net zo goed onderdeel was van het ziek zijn. Echte acceptatie was er namelijk nog lang niet. Dat uitte zich in een soort extreme positiviteit waarin ik een simpele baaldag weigerde te accepteren. Donkere gevoelens relativeerde ik direct weg met: ‘Joh, bedenk even hoe je je voelde mét kanker.’ Mijn eigen alledaagse struggles vond ik onbenullig en vermoeidheid aanstellerij — ik had immers échte problemen en échte uitputting meegemaakt. Maar waarom was ik ineens zo streng voor mezelf?

Waarom begint de verwerking nu pas?
Die strengheid was mijn beschermingsmechanisme. Zolang ik mezelf dwong om dankbaar, blij en positief te zijn, hoefde ik de angst en het trauma van het ziek zijn niet echt te voelen. Want als ik stil zou staan bij hoe eng het allemaal was geweest, was ik misschien wel ingestort. Positiviteit was mijn schild.
Pas nu begin ik te begrijpen dat een slechte dag hebben juist hét bewijs is dat ik weer ‘gewoon’ leef. Dat ik mag balen van een gemiste trein, een saaie werkdag of natgeregend worden, zonder dat ik mezelf meteen een schuldgevoel aan hoef te praten met: ‘Maar je leeft nog!’ Echte genezing zit ‘m niet in elke dag de feestslingers ophangen, maar in het jezelf toestaan om weer heel menselijk, moe of chagrijnig te zijn.
Ik accepteer nu dat er geen reden is waarom ik ziek ben geworden en vooral niet waarom ik beter ben geworden en zoveel anderen niet. Die willekeur is wreed en oneerlijk, maar het is wel de werkelijkheid. Het beste wat ik kan doen om het leven te eren, is door op te houden met mezelf voorbij te rennen. Ik ben er nog lang niet en betrap mezelf nog dagelijks op die drang om alles te moeten vieren. Maar ik probeer mezelf nu te leren dat een dag ook gewoon een saaie dinsdag mag zijn. Dat het proces van ‘gewoon leven’ tijd kost en dat alleen al durven inzien voelt als een begin.

Lees ook: ‘Elke keer dat ik het ziekenhuis verliet, liet ik een stukje van mezelf achter’