‘Elke keer dat ik het ziekenhuis verliet, liet ik een stukje van mezelf achter’
Toen hoofdredacteur Charlotte op haar 22e de diagnose lymfeklierkanker kreeg, stond haar bruisende leven als twintiger abrupt stil. Inmiddels is ze 24, in volledige remissie en bouwt ze de boel weer op. Maar hoe date, droom en maak je keuzes als je haar uitvalt, je vriendinnen op festivals staan en jouw maandelijkse hotspot de oncologie-afdeling is? Gewapend met een gezonde dosis optimisme, humor en de nodige zelfspot neemt ze je mee terug naar deze bizarre, 'bitterzoete' periode.
Tripzitten in de woonkamer
Mijn vader had voor de zoveelste keer ‘trip-dienst’ in mijn woonkamer nadat ik thuiskwam van drie dagen ‘superjuice’ op rij. Zo noemden mijn moeder en ik de chemo liever; ‘gif’ klonk zo negatief voor iets wat me uiteindelijk beter moest maken. Dat manifesteerde ik tenminste dagelijks. Maar voorlopig werd ik er alleen maar zieker van — zieker dan toen er nog een tumor van ruim 12 centimeter achter mijn borstkas verscholen zat.
En dus lag ik op de bank te staren naar het plafond, omdat het nieuwste anti-misselijkheidsspul net iets té goed werkte. De drang om over te geven was weg, maar de rest van mijn gevoel ook. Ik zat gevangen op een geïsoleerd eilandje midden in mijn eigen traject; een plek waar niemand echt bij kon komen. In de verte hoorde ik de lieve woorden van mijn ouders en zag ik mijn opa binnenstappen met de zelfgemaakte pasta van mijn oma. Maar reageren lukte niet meer. Mijn positieve instelling en nuchtere houding hadden plaatsgemaakt voor wanhoop. Ik zat opgesloten in een lichaam dat niet meer van mij voelde, waar alleen de kanker en ik overbleven, vechtend om wie de ander als eerste zou wegjagen.

Overgeven doen ze niét alleen in films
De eerste dagen in het ziekenhuis waren nog te overzien geweest. De verpleegkundigen waren lief en hoewel ik veruit de jongste was op de afdeling, dacht ik de eerste keer echt dat ik het wel even zou doen. Gewapend met een Nintendo Switch, mijn laptop en een tas vol snacks ging ik vol goede moed op pad. Een illusie die helaas snel vervloog.
Drie dagen chemo, een paar dagen rust, nog een dag infuus, een injectie voor mijn witte bloedcellen, en dan twee weken herstel. Om daarna weer precies van voren af aan te beginnen. Op dag één was de sfeer nog prima: gezellig kletsen op de afdeling, wat lezen en appen met het thuisfront. Op dag twee sloeg de realiteit al hard toe. Mijn eigen trap af komen was ineens een hele opgave, en de wandeling van de ziekenhuisdeur naar mijn vertrouwde premium seat bij het raam vergde eigenlijk al te veel van me. Toch weigerde ik principieel in een rolstoel te gaan zitten. Ik merkte dat ik steeds vaker wegvluchtte in gedachten, terug naar de wereld van ‘hiervoor’ — puur omdat ik nog niet kon bevatten wat ‘hierna’ zou gaan betekenen.

Op dag drie begon de ellende pas echt. Waar we na dag één nog een ijskoffie gingen halen voor een geluksmomentje op een verder donkere dag, moest mijn vader nu met 130 over de Zeeweg racen om me zo snel mogelijk op de bank te krijgen. De misselijkheid nam het over. Ondanks de stapel pillen hing ik boven de wc, terwijl mijn uitgedunde haar in twee droge vlechten langs mijn gezicht bungelde. Ineens was ik het boegbeeld van kanker geworden.
Wie is dat in de spiegel?
Pas na de vierde kuur merkte ik dat ik naast mijn haar, wimpers, wenkbrauwen en mijn door prednison opgezwollen gezicht nog iets anders miste in de spiegel: mijn eigen ogen. De sprankeling die er altijd in zat, was verdwenen. Terwijl mijn vader in de woonkamer zat te wachten tot ik de badkamer uit zou komen — klaar om zijn 22-jarige dochter met kanker te ‘tripzitten‘ — staarde ik naar mijn reflectie. Ik vroeg me af of dat lichtje iets was wat ik, net als zo veel andere dingen die me onbezorgd maakten, definitief achter had moeten laten in het ziekenhuis.
Ik haalde diep adem, opende de deur en strompelde terug naar de bank. Mijn vader keek me zwijgend aan met een blik vol liefde en machteloosheid. Zonder iets te zeggen gaf hij me een glas water en zette hij de tv wat zachter. Ik ging weer liggen, sloot mijn ogen en vertrouwde erop dat, terwijl de kankercellen langzaam werden afgebroken, het meisje dat ik was ergens nog op me lag te wachten. Deze bad trip hoefde ik in ieder geval niet alleen uit te zitten.
Terugkijkend zijn het juist de bizarre details die je bijblijven. Zo dronk ik uitsluitend nog Earth-water; de smaak van elk ander merk (mijn vader kocht werkelijk elke dag nieuwe flessen om te testen) verdroeg ik simpelweg niet. De specifieke geur van de oncologie-afdeling kan ik me nog zo helder voor de geest halen dat het me tijdens het typen spontaan weer misselijk maakt. En ik at tijdens de behandeling elke dag de zelfgemaakte pasta van mijn oma, die mijn opa getrouw kwam brengen. Pasta met courgette en garnalen — het enige wat mijn maag nog binnen kon houden.
Lees ook: Charlotte (24): ‘Gekookt, gebakken of ingevroren? Mijn toekomst werd ineens een diepvriesproduct’