Direct naar content
COLUMNS

Charlotte (24): ‘Gekookt, gebakken of ingevroren? Mijn toekomst werd ineens een diepvriesproduct’

Charlotte van der Geest
Charlotte van der Geest 5 min. leestijd
Charlotte van der Geest.
Afbeelding: Rens Weber

Toen eindredacteur Charlotte op haar 22e de diagnose lymfeklierkanker kreeg, stond haar bruisende leven als twintiger abrupt stil. Inmiddels is ze 24, in volledige remissie en bouwt ze de boel weer op. Maar hoe date, droom en maak je keuzes als je haar uitvalt, je vriendinnen op festivals staan en jouw maandelijkse hotspot de oncologie-afdeling is? Gewapend met een gezonde dosis optimisme, humor en de nodige zelfspot neemt ze je mee terug naar deze bizarre, 'bitterzoete' periode.

Vandaag valt er niks te lachen

Ik duw de grote blauwe klapdeuren met beide handen open. Precies zoals in de films vallen ze overdreven dramatisch achter mij dicht, terwijl mijn haar achter me aan wappert. Normaal had ik hard om mezelf gelachen, vandaag voelt niets nog grappig.

Mijn moeder stormt achter me aan, mijn vader volgt iets langzamer. Midden op het parkeerterrein blijf ik abrupt stilstaan. Waar stond de auto ook alweer? De warme middagzon brandt op mijn gezicht. Om me heen lopen mensen af en aan met to-go koffietjes in de hand, pratend over vakanties, boodschappen of werk. Wat normale mensen ook doen op een vrijdagmiddag. De wereld draait gewoon door. Zelfs nu de mijne zojuist met een harde klap tot stilstand is gebracht.

‘Dat gaan we dus absoluut niet doen’, zegt mijn moeder meteen. Ik draai me naar haar om. Haar ogen dreigen over te lopen van de tranen en in haar nek verschijnen vuurrode vlekken. ‘Toch?’, zegt ze zachter. Alsof ik degene ben met de antwoorden. Normaal ben ik daar goed in; ik ben het type van de lijstjes, de schema’s en de back-upplannen.

‘Vreselijk hoe ze dat daarbinnen even tussen neus en lippen door vertellen’, gaat ze verder. ‘Alsof het om een routineafspraak gaat.’ Mijn hoofd bonkt nog van alles wat de oncoloog deze morgen heeft gezegd. Ik adem diep in. Wordt mijn toekomst vanaf nu een diepvriesproduct?

Charlotte in het ziekenhuis.
Klaar voor een biopt. Met mijn favoriete gelukspoppetje op zak, gekregen van de allerliefste vriendinnen.

Elf minuten

Naast ons rijdt een auto het terrein op. Een stel stapt uit, hand in hand, lachend. Wat een timing. ‘Ik denk dat ik het wel wil doen’, hoor ik mezelf zeggen. Mijn moeder verstijft direct. ‘Nee’, zegt ze fel. ‘We gaan hier niet eens over nadenken.’ ‘Toe nou,’ zegt mijn vader waarschuwend. ‘We hébben geen tijd om na te denken!’ roept ze, terwijl ze een hand door haar haar haalt.

‘Je hoorde wat ze zeiden. Als we wachten met de behandeling—’ Ze breekt haar zin af. Omdat niemand het woord chemo hardop wil uitspreken. Vastberaden pakt ze haar telefoon en kiest het nummer van mijn oma. Ze zet ‘m op luidspreker, omdat ze weet dat als er iemand is die in deze chaos het hoofd koel kan houden, zij het is.

Ik klik mijn scherm aan. 16:34 uur. Nog exact elf minuten. Elf minuten om te beslissen of ik later misschien kinderen kan krijgen, of dat ik eerst moet zorgen dat ik later überhaupt nog besta. ‘Jij bent het allerbelangrijkste’, zeggen mijn moeder en oma allebei door de ruis van de luidspreker. ‘Niet een hypothetisch kind dat er misschien ooit komt. Jij moet nú beter worden.’ Mijn moeders stem breekt op het woord beter. Mijn vader legt voorzichtig een hand op haar schouder, kijkt naar het telefoonscherm en zegt zacht: ‘Charlotte moet dit zelf beslissen.’

De kunst van het onbezorgd zijn

Natuurlijk begrijp ik de paniek van mijn moeder en oma. Dat is juist het probleem. Ik kan op dit parkeerterrein niet tegen ze zeggen dat alles goedkomt, dat we hier later om lachen. Want zelfs als ik straks genezen ben, weet ik dat mijn ouders nooit meer écht onbezorgd zullen zijn. Vanaf nu betekent elke scan spanning. Elke hoofdpijn paniek. Elke onbekende telefoonoproep slecht nieuws. Misschien is dat nog wel het ergste aan ziek zijn op je 22e: dat iedereen van wie je houdt machteloos moet toekijken terwijl jij een keuze maakt die niemand voor je kan maken.

Ik loop een paar stappen achteruit. Misschien maak ik een egoïstische keuze. Misschien klamp ik me wanhopig vast aan een toekomstversie van mezelf die nog helemaal niet bestaat. Een Charlotte met een fijn huis, een liefhebbende partner en een kind dat op zondagochtend vraagt of we samen een spelletje op de Nintendo kunnen spelen. Maar als ik nu ‘nee’ zeg uit angst, weet ik dat deze elf minuten altijd tussen ons in zullen blijven staan.

Ik kijk omhoog naar de gevel. Boven de klapdeuren lees ik in grote letters: Vruchtbaarheidskliniek. Het woord voelt ineens misselijkmakend echt. ‘Ik wil later kinderen, mama’, fluister ik. ‘Dat weet je.’

Midden in de storm

Ik loop naar haar toe en sla mijn armen om haar heen. ‘Maar jij bent míjn kind’, zegt ze huilend tegen mijn schouder. ‘Jij bent hier nu.’ Ze houdt me stevig vast, veel harder dan normaal, alsof ze me fysiek kan beschermen tegen de cellen in mijn eigen lijf. Mijn moeder probeert mijn toekomst niet af te pakken. Ze probeert wanhopig te voorkomen dat ik er straks niet meer ben om überhaupt een toekomst te hébben.

Mijn vader komt bij ons staan en slaat zijn armen om ons heen. Zoals altijd zoekt hij naar rust midden in de storm. ‘We rekken tijd’, zegt hij zacht, terwijl hij de tranen uit zijn ogen veegt. ‘We gaan terug naar binnen, we zeggen voorlopig ja tegen het invriezen… en daarna gaan we een stukje rijden.’

Bijsluiter van medicatie.
Mijn vader met een lijst aan bijwerkingen van de pillen die ik moet slikken.

Twee jaar later, weet ik dat die autorit een van de belangrijkste ritten uit mijn leven was. Destijds voelde het op dat parkeerterrein alsof ik moest kiezen tussen overleven of ooit moeder worden. Een onmogelijke keuze op je 22e. Inmiddels ben ik 24, gezond, heb ik mijn cyclus terug én liggen mijn eicellen nog altijd veilig opgeslagen in het ziekenhuis. Een bizar idee, maar het geeft me een rust die ik destijds niet voor mogelijk hield. Mijn familie en ik kunnen er inmiddels gelukkig om lachen, maar soms denken we heel even terug aan die elf zenuwslopende minuten voor de deur van de vruchtbaarheidskliniek.

Lees ook: ‘Dat kanker géén grote-mensen-ziekte is werd ineens duidelijk toen ik op mijn 22e werd gediagnosticeerd’