Direct naar content
COLUMNS

‘Dat kanker géén grote-mensen-ziekte is werd ineens duidelijk toen ik op mijn 22e werd gediagnosticeerd’

Charlotte van der Geest
Charlotte van der Geest 4 min. leestijd
Charlotte van der Geest.
Afbeelding: Rens Weber

Toen hoofdredacteur Charlotte op haar 22e de diagnose lymfeklierkanker kreeg, stond haar bruisende leven als twintiger abrupt stil. Inmiddels is ze 24, in volledige remissie en bouwt ze de boel weer op. Maar hoe date, droom en maak je keuzes als je haar uitvalt, je vriendinnen op festivals staan en jouw maandelijkse hotspot de oncologie-afdeling is? Gewapend met een gezonde dosis optimisme, humor en de nodige zelfspot neemt ze je mee terug naar deze bizarre, 'bitterzoete' periode.

Het ziet er niet goed uit

‘En nu heeft het lang genoeg geduurd’, zegt mijn moeder. Het gaat al langere tijd niet goed met mij, maar ik zag het zelf niet zo somber in. Mijn immuunsysteem werkte de laatste tijd inderdaad niet echt mee. En die longontsteking? Ik had de week ervoor nog gevlogen, dus dat zal het vast zijn. Maar nu lig ik weer compleet uitgevloerd op de bank op opa’s verjaardag, met een gemene pijn op mijn borst en koorts. ‘We bellen de huisarts.’

Selfie met selderijsap op aanraden van mijn tante. Alles voor die immuunboost. En yep, het smaakt precies zoals het eruitziet.

Ik dacht dat het wel zou meevallen. We keken het inmiddels al wekenlang aan en hoewel ik me hondsberoerd voelde, dacht ik: ik ben 22, hoe erg kan het zijn? Bij de huisarts voelde ik me ook niet direct serieus genomen. Na twee eerdere bezoekjes werd er vooral gedacht aan een hardnekkige longontsteking of griep.

Maar als mijn moeder voor de zoveelste keer aan de telefoon hangt en eist dat er nu écht actie wordt ondernomen, mag ik langskomen. Pas toen de huisarts me onderzocht en de blik in haar ogen veranderde, drong het een beetje door. Dit was geen gewone griep. Toen de doorverwijzing naar het ziekenhuis viel, was ik opgelucht: eindelijk gaan ze uitzoeken wat er mis is. Nooit gedacht dat dáár pas het hele feest zou beginnen.

De lunch gaat niet door

Mijn opa zet mijn moeder en mij af, maar rijdt per ongeluk naar de ingang van het mortuarium. Hilarisch, vinden we op dat moment nog. Ook tijdens het plakken van de ECG-stickers op mijn borst, de testjes en het bloedprikken hebben mijn moeder en ik de grootste lol. ‘Straks gaan we lekker beneden lunchen’, beloven we elkaar.

Toen ik alle apparatuur nog ‘gaaf’ en ‘interessant’ vond. Dat gevoel duurde helaas niet lang.

We wachten uren op de Spoed Hart- en Longenkamer. De ene na de andere patiënt wordt binnengereden. Mijn moeder en ik kijken elkaar aan; die mensen zijn er toch zóveel slechter aan toe dan ik? Dan komt de arts met een ernstige blik binnenlopen. Naast me hoor ik iemand hard kuchen. Ik verwacht dat de mevrouw in het bed naast me wordt opgehaald voor onderzoek, maar de aardige dokter blijft aan het voeteneind van míjn bed staan. ‘Jullie mogen even meelopen naar de familiekamer.’

Uitgebreid menu aan onderzoek

Het is muisstil als we de kamer binnenlopen. Ik neem plaats in de – voor ziekenhuisstandaarden – redelijk vrolijk ingerichte ruimte en kijk de dokter aan. ‘We hebben op de röntgenfoto van je longen iets gezien dat de camera blokkeert’, zegt hij. ‘En als we naar de vorm en de grootte kijken, is het waarschijnlijk een kwaadaardig gezwel.’

Ik durf mijn moeder niet aan te kijken. In plaats daarvan luister ik extreem aandachtig naar de rest van zijn verhaal. Naar welke tests en scans er nu op het menu staan voor de rest van de dag, in plaats van dat broodje dat ik dacht te scoren in de kantine. Het kan nog goedaardig zijn, denk ik vastberaden. Ze weten het nog niet honderd procent zeker. Maar helaas hadden ze het wel goed.

Hoe ga je ermee om als je op je tweeëntwintigste hoort dat je doodziek bent? Nu, bijna twee jaar later en in remissie, heb ik daar nog steeds niet het volledige antwoord op. De komende weken neem ik je mee in mijn ziekte: van de diagnose tot het luiden van de bel (overigens helemaal niet zoals in de films), en van daten met nep wenkbrauwen (en een pruik) tot het oppakken van het ‘gewone’ leven.