Direct naar content
COLUMNS

Charlotte: ‘Ik noem mijn ouders bij hun voornaam en dat vinden mensen gek’

Charlotte van der Geest
Charlotte van der Geest 3 min. leestijd
Charlotte van der Geest.
Afbeelding: Rens Weber

Het is iets wat ik al doe zolang als ik me kan herinneren – en na een kort checkje bij mijn ouders blijkt het zelfs al te gebeuren sinds ik kan praten. Ik noem mijn ouders simpelweg bij hun voornaam. Zij vinden dat totaal geen probleem, maar zodra ik het tegen anderen over 'Dave en Sophie' heb in plaats van 'papa en mama', word ik vreemd aangekeken. Mensen vinden er namelijk nogal wat van.

Waarom vinden mensen dit zo vreemd?

Ik heb een veel jonger zusje, en wanneer ik het over Sophie en Dave heb, gaan mensen er spontaan vanuit dat ik het over haar ouders heb en niet die van mij. Alsof het wel een ingewikkeld samengesteld gezin moet zijn — terwijl we toch echt uit exact hetzelfde nest komen. Maar waarom roept het noemen van je ouders bij hun voornaam zo’n intense kortsluiting op? Psychologen verklaren die vragende blikken vanuit het zogeheten social norm bias-principe: de titels ‘papa en mama’ staan in onze maatschappij geprogrammeerd als het symbool voor respect en hiërarchie. Zodra je die titels schrapt, denkt het brein van de buitenwereld volgens de sociale psychologie meteen dat de band koud is of dat er sprake is van een gebrek aan gezag.

Toch was er bij ons thuis absoluut geen sprake van een bewuste actie van rebellie. Mijn moeder noemde haar eigen ouders vroeger ook al bij hun voornamen, en mijn ouders spreken elkaar ook aan op dezelfde manier. Het is gewoon Sophie en Dave. Ik heb dat als kind op een heel natuurlijke wijze overgenomen. Van een gebrek aan respect is dan ook nooit sprake geweest; dat is me juist vanaf dag één aangeleerd. Sterker nog: wanneer er een felle discussie ontstaat, betrap ik mezelf er vreemd genoeg weleens op dat ik ineens heel theatraal wél ‘ja maar mama!’ roep om mijn argument kracht bij te zetten.

We zijn geen vrienden

De sociologie laat juist het tegenovergestelde zien van wat de buitenwereld denkt. Onderzoek naar opvoedstijlen toont aan dat het aanspreken van je ouders bij hun voornaam een directe erfenis is uit de anti-autoritaire opvoedingsgolf van de jaren zeventig. In de systeemtherapie wordt dit omschreven als het losmaken van de ‘functie-aanduiding’: je haalt het etiket eraf en spreekt niet langer een rol aan, maar een individu. Zo ontstaat er een gelijkwaardige dynamiek waarin je je ouders niet alleen ziet als opvoeders, maar als echte mensen met een eigen identiteit buiten het ouderschap.

Toch zou ik mijn ouders niet direct als mijn ‘vrienden’ omschrijven – en dat bedoel ik allesbehalve negatief. Hoewel ik ze bij hun voornaam noem, is er altijd een duidelijke hiërarchie en een gezonde autoriteit aanwezig geweest. Ik noem mijn vader Dave, maar ik zeg niet ineens ‘hey vriend’ of ‘luister eens, gap’ tegen hem. En toch is dat wel het anarchistische, regelloze beeld dat omstanders snel voor zich zien wanneer de vertrouwde labels ontbreken. Men verwart het gebrek aan formele titels met een gebrek aan grenzen, terwijl die twee in de realiteit compleet los van elkaar staan.

Trots op je eigen naam

Als mijn eigen kinderen mij later gewoon Charlotte willen noemen omdat dat binnen ons huis zo groeit en natuurlijk voelt? Dan vind ik dat geen enkel probleem. Zo heet ik tenslotte gewoon. Het is de naam die ik ooit van mijn eigen ouders heb gekregen, en daar ben ik trots op.

Lees ook: ‘Dat kanker géén grote-mensen-ziekte is werd ineens duidelijk toen ik op mijn 22e werd gediagnosticeerd’