Direct naar content
Uncategorized

‘De eerste dag dat ik zonder pruik de straat op ging, riep iemand: wat heb je met je haar gedaan?!’

Charlotte van der Geest
Charlotte van der Geest 5 min. leestijd
Charlotte van der Geest.
Afbeelding: Rens Weber

Toen hoofdredacteur Charlotte op haar 22e de diagnose lymfeklierkanker kreeg, stond haar bruisende leven als twintiger abrupt stil. Inmiddels is ze 24, in volledige remissie en bouwt ze de boel weer op. Maar hoe date, droom en maak je keuzes als je haar uitvalt, je vriendinnen op festivals staan en jouw maandelijkse hotspot de oncologie-afdeling is? Gewapend met een gezonde dosis optimisme, humor en de nodige zelfspot neemt ze je mee terug naar deze bizarre, 'bitterzoete' periode.

‘Het is maar haar’

Ik sta voor de spiegel en besluit: vandaag is de dag. Vandaag laat ik mijn pruik thuis. Mijn moeder en oma roepen al weken dat mijn korte coupe me geweldig staat, maar zelf kan ik er maar niet aan wennen.

‘Het is maar haar’, zeiden mensen regelmatig tegen me als ik vertelde hoe vreselijk ik het vond om mijn lokken te verliezen aan de chemo. Ze bedoelden het heus wel goed, natuurlijk. Het was hun ietwat onhandige manier om te zeggen dat ik aan kanker veel méér had kunnen verliezen dan een bos haar. Maar jeetje, wat vond ik dat een irritante opmerking. De misselijkheid kon ik ergens nog wel negeren en de pleisters op de plekken waar de superjuice mijn aderen in werd geschoten kon ik verbergen onder lange mouwen. Maar een kaal hoofd, zónder wenkbrauwen en wimpers? Dat maakt je pas écht ongewild het gezicht van de ziekte. De momenten dat de kanker zich niet meer liet wegcijferen, waren de ochtenden dat ik in de spiegel keek en mijn eigen reflectie simpelweg niet herkende.

Charlotte met kort haar.
Dit vond (en stiekem nog steeds) ik echt vréselijk… Maar gelukkig had ik hier wel alweer mijn wenkbrauwen en wimpers terug!

Tijd om mijn KPK te rocken

Ach goed, de knop moet om. Ik moet er nu toch echt aan gaan geloven. Het vogelnestje op mijn hoofd kriebelt inmiddels aan alle kanten onder die pruik en de tropische warmte van de afgelopen dagen laat me wel heel duidelijk weten dat het tijd is. Tijd om mijn KPK (kort-pittige-kapsel) buiten te gaan rocken.

Ik plak nog snel even mijn fake eyebrows op, trek een dikke streep eyeliner boven mijn ogen om in elk geval de illusie van wimpers te creëren, en haal diep adem. Het is tijd om de wereld te laten zien dat ik ook best leuk kan zijn met chemokrullen.

Zodra ik de voordeur achter me dichttrek, voelt het alsof ik een deel van mezelf thuis heb gelaten. Ik twijfel nog even of ik terugga om mijn pet te halen, maar dan moet ik de trap op en daar heb ik op dit moment echt geen energie voor. Thanks chemo (again). Schouders naar achteren en kin omhoog sta ik te wachten op mijn moeder waarmee ik heb afgesproken. ‘Eindelijk’, zegt ze als ze mijn haar ziet. ‘Dit staat echt goed. Je kan ook alles hebben.’ Met dat beetje zelfvertrouwen dat ze me geeft lopen we samen naar de supermarkt. I can do this.

De ‘slechte’ kappersafspraak

We zijn net mijn straat uitgelopen als we een kennis tegen het lijf lopen. Iemand die we al een tijdje niet hebben gezien en die overduidelijk volledig heeft gemist dat ik het afgelopen jaar een vast abonnement op het ziekenhuis had. Ze kijkt me aan, haar ogen wijd open vol pure verbijstering, voordat ze eruit flapt: ‘Jeetje Charlotte, wat heb jij met je haar gedaan?!’

Tja. Wat zeg je op zo’n moment? Ik ben heus de beroerdste niet en schuw een gezonde dosis traumadumping op zijn tijd absoluut niet. Maar om nu meteen op de stoep te moeten opbiechten dat ik kanker heb gehad, om vervolgens háár te moeten gaan troosten en te zeggen dat het ‘heus niet erg is’ dat ze die opmerking maakte – puur om haar schuldgevoel te sussen? Nee. Daar heb ik vandaag simpelweg geen zin in. Dus kijk ik haar aan en zeg: ‘Het was tijd voor iets nieuws.’ Mijn moeder begint naast me te lachen en samen vervolgen we onze weg richting de supermarkt.

‘Gisteren had je nog rood haar’

Ik laat mezelf gelukkig niet zo snel uit het veld slaan, dus ik haal nonchalant een hand door de korte bos krullen op mijn hoofd en loop dapper verder. ‘Het staat je echt heel goed, hoor’, zegt mijn moeder nogmaals om me een hart onder de riem te steken. Ik knik braaf, maar geloof er zelf nog niet helemaal in.

Aangekomen bij de winkel pak ik snel de spullen die ik nodig heb en loop naar de kassa. Nu moet ik er wel even bij vermelden dat ik in een dorp woon, wat betekent dat er achter de kassa áltijd een bekend gezicht zit. ‘Hé’, zegt de cassière terwijl ze mijn spullen scant, ‘gisteren had je nog rood haar.’

Ik moet stiekem lachen. Het moet inderdaad doodverwarrend zijn voor de rest van het dorp dat ik de afgelopen weken werkelijk elke dag met een ander alter-ego door de Albert Heijn paradeerde. ‘Klopt’, zeg ik met een knipoog terwijl ik mijn pinpas tegen het automaat houd. ‘En morgen heb ik blauw haar.’

Attent, hè?

Die avond zit ik achter mijn laptop en sleep ik een setje bald caps in mijn digitale winkelmandje, zodat die eigenwijze chemokrullen de komende tijd weer strak verstopt blijven onder mijn nephaar. Ik besluit dat het voorlopig toch nog maar even de pruik wordt. Niet eens per se voor mezelf, maar puur om mijn omgeving een minder grote shock te bezorgen. Héél attent van mij, al zeg ik het zelf.

Charlotte met pruik.
Met mijn lievelingspruik gekregen van mijn lieve familie en vrienden.

Twee jaar later, komt mijn haar gelukkig weer tot over mijn schouders. Enne, heel veel langer heb ik het destijds ook echt niet volgehouden met die pruik, hoor. Nadat dat ding tot twee keer toe per ongeluk van mijn hoofd werd getrokken midden op straat, en mijn haarlijn na een scootertochtje af en toe halverwege mijn achterhoofd bleek te zitten, was de maat vol. Ik ben er toen maar heel snel mee gestopt.

Als er één ding is dat ik van die hele periode heb geleerd, is het dit: ik zal nóóit, maar dan ook écht nooit, tegen iemand met kanker zeggen dat het ‘maar haar’ is. Verliezen wat je herkenbaar maakt als je in de spiegel kijkt, doet simpelweg pijn. Dus laat mij op dat soort momenten maar lekker ijdel zijn.